
Marcel Wissenburg
De scheiding van kerk en staat in Nederland kent een grillige ontwikkeling, met sleutelmomenten in 1579, 1798 en 1848. Daarbij ging juridische scheiding steeds samen met de erkenning van gelijke rechten voor verschillende geloofsovertuigingen. Toch roept vooral de vrijheid van godsdienst vragen op: historisch gezien was zij noodzakelijk om religieuze conflicten te beteugelen, maar logisch valt moeilijk te rechtvaardigen waarom juist religie een bijzondere grondrechtelijke bescherming verdient. Tegenwoordig rekent een meerderheid van de Nederlanders zich tot geen enkele religie, waarmee atheïsme en onkerkelijkheid het maatschappelijke uitgangspunt vormen. Dit suggereert dat vrijheid van godsdienst breder moet worden opgevat als vrijheid van én tot geloof.